|
| Het wonder van de taal |
€19,50 |
Eugen Rosenstock-Huessy
isbn 90-76564-05-1
128 pagina's

De taalfilosofie van Rosenstock is even eenvoudig als verstrekkend: taal ontstaat als je antwoord moet geven. Daarmee is deze taalfilosofie een actueel appel en geeft ze een fundamentele beschouwing over het spreken van de mens. Zoals elke tekst van Rosenstoch Huessy is ook dit boek met vaart, hartstocht en grote eruditie geschreven. Rudolf Kooiman vertaalde dit werk.
Het verhaal van de taal
The origin of speech, zo luidt de oorspronkelijke titel van dit boek, met een knipoog naar Darwins The origin of species. De oorsprong van de mens ligt in de taal- en niet alleen ver weg in een geschiedenis van evolutie. Het evenement van de oorsprong van de mens voltrekt zich dagelijks in de taal. Als mensen in impasses een nieuw begin vinden, hebben ze nieuwe woorden en taal voor elkaar nodig. Dat er in een crisis, in een oorlog of revolutie zo'n verlossend woord kan worden gevonden en mensen 'on speaking terms' komen, is een 'wonder'. In dat wonder hebben de taal en de menselijkheid haar oorsprong; altijd al gehad.
InHet wonder van de taalnodigt Rosenstock-Huessy de lezer uit, nu klassieke instituten naar de achtergrond treden, actief een nieuwe periode in de geschiedenis te betreden.
Recensies
Pijnlijk en tegelijkertijd raadselachtig was het voor mij, dat deze beide mannen, Eugen Rosenstock en Diettrich Bonhoeffer, elkaar nooit hebben ontmoet. (...) Hoe vruchtbaar zouden de gesprekken tussen deze twee zijn geweest, die zoveel met elkaar gemeenschappelijk hadden
Een fragment
‘Taal kan betekenen: een methode om iemand de weg te wijzen of een manier om een kind te laten stoppen met huilen. Dan komt het aan op gebaren, een glimlach, tranen - en zijn de aap en de nachtegaal onze meesters. Er bestaat voor mij geen enkele twijfel dat bij ons dagelijkse gekakel en gebabbel onze taal dezelfde doelen dient als dierengeluiden. En dingen die dezelfde doelen dienen moeten met elkaar in verband gebracht. Er zijn gebieden in ons leven waar we de condities delen waarbij dieren geluiden van hofmakerij, waarschuwing enz. voortbrengen. Wanneer wij geluiden gebruiken in deze zelfde gebieden hebben ze een zekere gelijkenis met de taal en de geluiden van dieren.
Maar taal kan ook betekenen de kracht om een koraal te zingen, een tragedie op te voeren, een wet uit te vaardigen, een lied te maken, een zegen uit te spreken, een eed af te leggen, zonden te belijden, een klacht te uiten, een biografie te schrijven, een rapport te maken, een algebra probleem op te lossen, een kind te dopen, een huwelijkscontract te tekenen of iemands vader te begraven.
De meeste mensen halen dit door elkaar. Ze schijnen te denken dat door wiegeliedjes, burenadvies of geklets te verklaren we ook de kracht van een eed hebben uitgelegd.’
(Vertaling: Rudolf Kooiman)
|